Analyse BUIG 2025

Het Rijk stelt jaarlijks budgetten vast voor het verstrekken van gemeentelijke inkomensvoorzieningen en loonkostensubsidies, ook wel het BUIG-budget (Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten) genoemd. Gemeenten leggen hierover verantwoording af via het ‘Beeld van de Uitvoering’. Deze cijfers zijn openbaar beschikbaar. Adlasz heeft de cijfers nader geanalyseerd. In dit artikel gaan we nader in op de budgetontwikkeling in het algemeen en de impact van loonkostensubsidie in het bijzonder. Bij dat laatste verkennen we met name het veronderstelde causale verband tussen de inzet op loonkostensubsidie en de uitkeringskosten.

Financiële prikkels van de Rijksoverheid

Het budget voor LKS is een apart onderdeel van de gebundelde uitkering (BUIG). Een belangrijk aspect bij de verdeling van het LKS-budget is dat gemeenten die hun budget voor LKS niet volledig benutten, het risico lopen om in de daaropvolgende jaren een kleiner aandeel van het LKS-budget van het Rijk te ontvangen. Dit komt doordat de definitieve landelijke verdeling van het LKS-budget plaatsvindt op basis van de T-1 systematiek. Deze T-1 systematiek houdt in dat een gemeente die in een bepaald jaar 1% van de landelijke LKS-kosten maakt, in het daaropvolgende jaar ook 1% van het landelijke LKS-budget krijgt. Door deze systematiek hebben gemeenten direct invloed op de hoogte van hun LKS-budget. 

Hierbij is het belangrijk te weten dat de rijksoverheid de inzet van LKS stimuleert door het beschikbare landelijke budget voor LKS jaarlijks te verhogen. Het mes snijdt hierdoor aan ‘drie’ (!) kanten voor gemeenten die inzetten op LKS, immers, verhoogde inzet resulteert in 1) een hoger budgetaandeel van 2) een stijgend budget en 3) de uitkeringskosten dalen als gevolg van (gedeeltelijke) uitstroom. Tegelijkertijd is het LKS-instrument cruciaal voor het realiseren van de beoogde participatiemaatschappij waarbij inwoners naar vermogen deelnemen aan de reguliere arbeidsmarkt. In de volgende paragrafen gaan we nader in op de vastgestelde budgetten en de uitnutting daarvan.

Budgetten 2025 en 2026

De BUIG bestaat grofweg uit twee onderdelen; LKS-budget en budget voor bijstandsuitkeringen. De landelijke budgetten voor 2025 en 2026 zijn in de tabel weergegeven:

Het relatieve aandeel van het inkomensdeel wordt de komende jaren ook lager, terwijl het LKS-budget verder groeit. Vanwege de T-1 systematiek van LKS krijgen gemeenten met een kleiner aandeel in de LKS-kosten, een evenredig kleiner aandeel van het jaarlijks groeiende LKS-budget. Doordat het inkomensaandeel jaarlijks kleiner wordt, kan dit mechanisme voor deze gemeenten uiteindelijk resulteren in tekorten op de BUIG. Dat de verhoudingen over de jaren verschuiven is te zien in onderstaande tabel:

Beeld van de uitvoering 2025

Het Rijk heeft de voorlopige realisatiecijfers van alle gemeenten gepubliceerd in het ‘Beeld van de Uitvoering 2025’ (ook wel BvdU genoemd). Het BvdU geeft inzicht in de baten en lasten over 2025 van alle gemeenten in het kader van de Participatiewet (inclusief loonkostensubsidie en aanverwante wet- en regelgeving. De voorlopige cijfers uit het BvdU alle Nederlandse gemeenten zijn in de tabel weergegeven:

Het landelijke beeld laat zien dat de Nederlandse gemeenten in 2025 tezamen minder aan LKS uitgaven dan dat het Rijk aan budget beschikbaar had gesteld. Er is circa € 575 miljoen uitgegeven aan LKS ten opzichte van het budget ter hoogte van € 601 miljoen. Dit betekent dat gemeenten die in 2025 relatief veel op LKS ingezet hebben, in 2026 een nog hoger aandeel van het definitieve budget ontvangen. Zij krijgen immers een relatief groter aandeel van het al groeiende LKS-budget. Dit mechanisme benadrukt het belang van het (meer dan) volledig benutten van het LKS-budget. 

Analyse overschotten en tekorten

Het totale overschot op de BUIG bedraagt in 2025 circa € 68 miljoen. Van de 342 Nederlandse gemeenten houden 186 gemeenten bij elkaar zo’n € 230 miljoen over terwijl 156 gemeenten bij elkaar € 163 miljoen tekortkomen:

Opvallend is dat zowel bij tekort- en overschotgemeenten sprake is van een onvolledige benutting van het LKS-budget. Als we kijken naar de verhouding tussen de uitgaven aan LKS in relatie tot de uitgaven aan uitkeringen per gemeente, dan wordt duidelijk of de gemeente meer of minder inzet op LKS dan landelijk gemiddeld. Van de 156 tekortgemeenten zien we dat 46 gemeenten (29% van het geheel) onder het gemiddelde presteren, terwijl 110 gemeenten het juist meer dan gemiddeld LKS inzetten. Ook bij de overschotgemeenten zien we een vergelijkbaar beeld, waarbij 54 gemeenten (29% van het geheel) op het gebied van LKS minder dan gemiddeld presteren en 132 gemeenten beter dan gemiddeld presteren. Dit roept de vraag op of en in hoeverre de prikkel van de overheid om meer in te zetten op LKS de uitgaven aan uitkeringen reduceert. 

Vangnetuitkering Participatiewet

De gemeenten met een tekort in 2025 kunnen onder voorwaarden gedeeltelijk gecompenseerd worden. De Participatiewet kent namelijk een vangnetregeling waarbij tekortgemeente een aanvullende uitkering kunnen krijgen. De voorwaarden voor deze vangnetuitkering zijn met ingang van boekjaar 2025 verruimd. Dit geldt zowel voor de ingangsvoorwaarden als de omvang van de vergoeding, hierdoor komen meer gemeenten in aanmerking voor deze regeling. Onder de oude systematiek zouden 41 gemeenten in aanmerking komen voor de vangnetuitkering, met een totale maximale vergoeding van € 10,8 miljoen. Door de versoepelde wetgeving zijn dit er 53 geworden met een maximale claim van € 17,9 miljoen. Opvallend is dat ongeveer de helft van deze ‘vangnet-gemeenten’, het LKS-budget niet volledig heeft benut. Dit laat zien dat er bij deze gemeenten kansen liggen voor tekortreductie door adequate inzet van het instrument LKS. 

Meer weten? 

Wilt u voor uw eigen gemeente of samenwerkingsverband vrijblijvend en kosteloos een factsheet over de BUIG ontvangen? Neem dan contact op met Jeroen Mulders van Adlasz (Jeroen.Mulders@Adlasz.nl). In deze factsheet gaan wij in op de BUIG, het instrument LKS en de vangnetuitkering.